Wat hebben wij geleerd van Cultureel Dorp?

Het is volgend jaar twintig jaar geleden dat Cultureel Dorp startte. Wat bedacht was als een project van een jaar, duurde ruim tien jaar en in zekere zin gaat het nog steeds verder. Er zijn plannen in de maak om het jubileum volgend jaar groots te vieren.

Door Jacky de Vries

Koningin Beatrix opent De Zee van Staal in 1999.

Het was Bert Kisjes die Wijk aan Zee eind jaren negentig uitriep tot Cultureel Dorp van Europa, een titel die toen nog niet bestond. Vanuit de vrijplaats Sonnevanck was hij betrokken geraakt bij de acties die het dorp bedreigden. De plannen voor een slibfabriek en vliegveld voor de kust inspireerden Kisjes om met de Wijk aan Zeeërs het dorp opnieuw uit te vinden.

Niet alleen maar ‘tegen’ zijn, maar meedenken in de oplossing van het onderliggende probleem en vooral laten zien hoe waardevol het dorp is. Dat was het devies. Niet het dorp zien als achtergestelde gemeenschap die per se moet groeien om te kunnen voortbestaan en die zich voortdurend moet spiegelen aan de stad, maar als een waardevolle entiteit. De kracht van de kleinschaligheid, waar mensen onderling contact hebben.

Nadat de gevaren even geweken waren, bleef Kisjes niet stilzitten. Om toekomstige ‘dwaze plannen’ het hoofd te kunnen bieden, wilde hij het dorp en Wijk aan Zee in het bijzonder op de kaart zetten. Samen met een schare medestanders schiep hij een verbond van twaalf Europese dorpen. In het jaar 1999 werd Wijk aan Zee elke maand bezocht door een delegatie uit zo’n dorp.

In al zijn eenvoud gebeurde er iets prachtigs. Het dorp liet zijn gastvrijheid zien. Mensen uit verschillende culturen kwamen met elkaar in contact. Ze aten samen, maakten muziek samen, spraken samen en sliepen bij elkaar in huis. Er ontstonden vriendschappen voor het leven, maar ook in het dorp zelf gebeurde er ‘iets’. Sawaz ontstond, de bouwploeg, kookploeg, vriendschappen bloeiden op en de liefde voor deze plek groeide.

Kisjes betrok er zoveel mogelijk mensen bij. Wat soms als zijn zwakte wordt gezien, is eigenlijk zijn grootste kracht. Hij had een doel, maar zonder vaste contouren. Zonder strakke planning. Hij liet de mensen vrij om mee te denken en de zaken naar hun hand te zetten. Hij daagde ze uit, prikkelde ze en liet ze hun eigen grenzen verkennen. In de veiligheid dat het zonder strakke planning altijd mogelijk bleef om mee te bewegen met veranderende omstandigheden of nieuwe inzichten.

Het ontmoeten van zoveel andere mensen, samen eten en muziek maken en het dragen van zo’n groot project, ontwikkelde de samenhang in het dorp, die wellicht al voorzichtig tot stand was gekomen door de acties in de jaren negentig. Zoals een van de betrokkenen het verwoordt: ‘Er werd een gezamenlijke herinnering gemaakt en dat werd de hechtstof binnen de gemeenschap.’ Zoals Bert zelf het uitdrukt: ‘ We deden het met z’n allen.’

Cultureel Dorp werd meer dan culturele uitwisselingen, in tal van conferenties werden de problemen besproken waar dorpen mee kampen. De mogelijke oplossing lag altijd binnen handbereik: de kleinschaligheid, kracht van de lokale samenleving, waar alles in zit. Het lijkt simpel: vertrouwen in de kracht van de samenleving en die benutten. Toch gebeurt het in onze maatschappij nauwelijks en zijn we verstrikt geraakt in regels, nauwe kaders en systemen.

We zien het voorbeeld dichtbij huis. Binnen Beverwijk is de afstand tussen burger en overheid groot. Projecten van onderaf, zoals het Huis van de Buurt, stranden door regelgeving en wantrouwen. Ons gemeentebestuur heeft de inzichten van Cultureel Dorp hard nodig.

Als journalist heb ik het allemaal van een afstand mogen aanschouwen. In 2002 schreef ik samen met Bert Kisjes een eerste boek over Cultureel Dorp. Avond na avond spraken we urenlang over de lokale samenleving. Hij verwoordde wat ik als journalist al voelde, maar nog niet kon vatten.

Als krantenverslaggever voelde ik een afstand tot de samenleving. Door Cultureel Dorp is dat voorgoed veranderd. Het veranderde me als journalist en als mens. Zo is ook De Vrijstaat Roetz ontstaan, vijftien jaar geleden. Als open podium een van de vele spin-offs van Cultureel Dorp. In dit magazine zult u meer spin-offs tegenkomen. Een goede reden dus om dit jubileumnummer aan Wijk aan Zee en Cultureel Dorp te wijden.

Bert Kisjes als aanjager, inspirator en mentor. Nog altijd kunnen zijn inzichten me boeien en verrassen. De filosofie die uitgaat van de kracht van de lokale samenleving en de kleinschaligheid is in mijn vezels gaan zitten. Het is het leitmotiv in mijn leven. De projecten die ik doe, hoe ik mijn werk organiseer en hoe ik naar de samenleving kijk is direct of indirect te herleiden naar die magische jaren van Cultureel Dorp. Dat geldt voor veel meer mensen in Wijk aan Zee, velen zijn er direkt of indirekt door geraakt.

Aan ons allen de opdracht ervoor te zorgen dat de inzichten die we hebben opgedaan binnen Cultureel Dorp verder gebracht worden, de wereld in. Om ze door te ontwikkelen en om ze uit te dragen, opdat anderen er baat bij hebben. Dat begint hier, in ons eigen dorp. Als wij het niet toepassen en uitdragen, kan het ook niet verder worden gebracht. Wijk aan Zee is de bakermat.

Volgend jaar zullen wij als Roetz een nieuw boek presenteren, waarin we dieper ingaan op dat magische jaar 1999 dat zovele levens heeft veranderd. Een korte voorpublicatie vindt u hierna. Ook willen we ons inzetten om dat vuur dat ooit is aangestoken hier brandende te houden. Het is niet mogelijk om de gebeurtenissen uit 1999 te herhalen, niet wenselijk zelfs. Dat was goed zoals het was.

Het is wel onze taak om de lessen die we geleerd hebben toe te passen en uit te dragen. Dat is de erfenis die wij moeten koesteren van Bert Kisjes en de generatie die hem terzijde stond. De kracht zit hem in de eenvoud.

Wees goed voor elkaar, maak muziek samen, eet samen. Koester de kleinschaligheid, maak contact en put uit die onuitputttelijke bron van mensen en hun specifieke kwaliteiten. Denk niet in drempels, niet in verschillen, niet in professionals of amateurs, maar zie het dorp als een huis of tempel, waar iedere steen zijn functie heeft. Denk niet in begrotingen en plannen, maar laat je meevoeren door de wind en laat je verrassen door de diversiteit van de samenleving en het leven.

Dit lijkt zo eenvoudig, maar het is groots in alles. Poetin, Trump, Netanyahu, Khamenei: zij doen het niet. Kennelijk is het dus lastiger dan het lijkt. Zelfs onze raadsleden en wethouders snappen het nog niet. Met alle gevolgen van dien. U deed dat wel. Wijk aan Zee heeft het gedaan, heeft laten zien hoe de samenleving kan zijn. Koester dat alstublieft.

Kisjes zelf verwoordde het onlangs als volgt: ,,De betekenis van Cultureel Dorp is onder meer geweest het besef dat de plek waar jij leeft het centrum is van de wereld. Vroeger dacht ik dat New York het middelpunt was en dat maakte me jaloers op de mensen die daar wonen. Met Cultureel Dorp kon ik dat gevoel voorgoed laten varen.’’

In de filosofie van Cultureel Dorp zitten de oplossingen voor eigentijdse problemen. Die inzichten kunnen we nu nog met z’n allen toepassen. Als we vinden dat er teveel woningen worden gekocht door grote bedrijven in plaats van gezinnen, waarom richten we dan geen woningcorporatie op? In plaats van klagen, nemen we het heft in eigen handen. Dankzij Cultureel Dorp weten we immers dat we de omstandigheden naar onze hand kunnen zetten. Het is maar een voorbeeld.

De inzichten van Cultureel Dorp moeten de wereld in, maar ook binnen onze eigen gemeenschap moeten we ze blijven koesteren en uitdragen, doorgeven aan nieuwe generaties. Deze jubileumeditie dragen we daarom op aan Wijk aan Zee en Bert Kisjes in het bijzonder. In diepe erkentelijkheid, maar ook met een opdracht: Laat het voortleven!

‘Smaaktheater is voedsel voor de geest’

Sylvia Brandse is zangeres en theatermaker uit Wijk aan Zee. Ze is een van de bedenkers en regisseurs van het Smaaktheater, dat te zien is tijdens de eerste editie van de Smaakmarkt op vrijdag 6 juli 2018. Een portret.

Door Jacky de Vries

“We waren aan het brainstormen. Waar zou het Smaaktheater over moeten gaan? Over voeding natuurlijk. De Smaakmarkt draait nu eenmaal om eten. Ook ik wil de bezoekers voeden, maar dan anders. Met ‘food for thought’, geïnspireerd op een lied van Erykah Badu. Dat nummer heeft een mooie boodschap: ‘Ik heb voedsel in mijn tas voor jou. Geen fysiek voedsel, maar mentaal.’

Het voedsel dat ik met Smaaktheater wil bieden is communicatie. Ontmoet elkaar, dat is mijn boodschap, zonder belerend te willen zijn. Daarvoor gebruik ik twee filosofen: de aanklager en de verlichte geest, meer wil ik er nog niet over zeggen. Je moet gewoon komen kijken.

Elkaar ontmoeten, daar gaat het in essentie ook om bij de Smaakmarkt. Het fysieke voedsel is slechts een middel, maar het gaat om het uitwisselen van gedachten. Dat sluit aan bij wat we hier in Wijk aan Zee hebben meegemaakt met Sonnevanck, wat een vrijplaats was en een ontmoetingsplek. Je kon er eten en drinken, maar je kwam er vooral om mensen tegen te komen,

Achttien mensen hebben we bereid gevonden om mee te doen met het Smaaktheater. Verschillende mensen, jong en oud, met en zonder speelervaring. We gaan niet op een podium staan, maar gebruiken de omgeving, het Julianaplein. De fontein uiteraard, maar ook de bushalte. Het is inmiddels best een groot project geworden. Ik werk aan drie grote scènes. Ciel van Aalderen, ook een theatermaker uit het dorp, heeft haar eigen project, met kleine interacties op het plein. Een mooie wisselwerking, want terwijl ik meer van de grote beelden ben, is zij is vooral van de intimiteit.

Het idee was dat ik zelf ook mee zou gaan zingen en spelen, maar ik kreeg al snel door dat het niet te combineren is met de taak van schrijver en regisseur. In eerste instantie regelde ik ook alles eromheen en was ik er bijna dag en nacht mee bezig, nu hebben we gelukkig iemand bereid gevonden om het regelwerk te doen. Dat biedt rust. Mensen kennen me vooral als zangeres, maar in de uiteindelijke uitvoering heb ik een ondergeschikte rol, ik zing wel, maar alleen in het begin, tussen het publiek.

Fantasie

Op mijn achtste wist ik dat ik zangeres wilde worden. Waarschijnlijk al eerder, er waren namelijk dingen gebeurd in mijn leven die me de drang gaven om in een fantasie te leven. Die balans tussen fantasie en werkelijkheid is trouwens nog altijd lastig voor me. Rond mijn achtste kreeg ik door dat de mensen die op dat podium stonden een vak uitoefenen. Dat zou ik dus ook kunnen leren. Toen heb ik gebeden voor een stem waarmee ik zou kunnen zingen.

Dat is gelukt. Ik ga dat niet over mezelf zeggen dat ik een mooie stem heb hoor, dat is aan de ander om te bepalen. Hij is in ieder geval functioneel, want ik kan er mee doen wat ik wil en daar ben ik heel gelukkig mee.

Billie Holiday is een van mijn favoriete zangeressen. Ik was zestien toen ik haar ontdekte. Mijn vader liet een film zien over haar leven en dat maakte grote indruk op me. Daarna ging ik cd’s van haar kopen om me te verdiepen in de liedjes.

Op een gegeven moment kwam ik het nummer Strange Fruit tegen. Prachtig, dat wilde ik graag zingen. Ik liet het horen aan iemand uit het dorp, maar zij vertelde me dat je daar niet aan mag komen. Niet als je niet zoveel geleden hebt als Billie. Om Strange Fruit te kunnen zingen moet je echt diep gegaan zijn.

Jacques Kloes

Ik durfde pas aan Billie Holiday te komen nadat Jacques Kloes was overleden. Hij was mijn muzikale papa en heeft me op een hoger level gebracht. Onder meer door me op het pad te brengen van de Ruud Jansen Band. Jacques spoorde me aan om auditie te doen. Ik zong wel eens met bandjes op kleine podia en in Sonnevanck, ook samen met hem. Meer niet. Tot mijn eigen verbazing werd ik uitgekozen en bij Ruud Jansen kwam ik op het grote podium terecht en zong ik ineens voor geld. Toen werd het werk en kon ik mijn kantoorbaantje opzeggen.

Met Jacques heb ik veel gesprekken gehad over van alles. Het leven, over filosofie en dat je kunst beoefent omdat je niet anders kan. Op welk podium dan ook. Hij had thuis een plaatje op het toilet hangen. Een inkttekening van een uitvaartstoet in New Orleans, met een brassband.

Toen Jacques overleed, stond dat plaatje op zijn rouwkaart. Kort erna overleden nog twee andere dierbaren van me. Dat was vlak voor het Jutterspad en ik wilde graag meedoen. Mijn vriend vroeg me: ‘Wanneer ga je nu Billie zingen? Wanneer ga jij je hart volgen?’ Ik twijfelde nog steeds. Heb ik genoeg meegemaakt? Hij geloofde in me en zei dat ik het moest doen, mijn hart moest volgen.

Net als op die tekening, wilde ik door de straten van Wijk aan Zee lopen, met allerlei muzikanten om me heen. Ik kon helaas niet genoeg blazers vinden, want het was kort dag, dus ging dat gedeelte niet door. Het leidde wel tot Sillie Holiday, waarin ik liedjes zong van Billie. Sillie heeft een dubbele betekenis. Het verwijst naar mij, want zo noemde mijn familie in Brabant me als kind. Het betekent ook dat het misschien toch een beetje gek is wat ik doe. Ik doe het gewoon, durf het en ga Billie zingen. Toch heb ik me aan Strange Fruit nooit gewaagd. Dat komt misschien nog.

Sillie Holiday smaakte naar meer en eind vorig jaar speelde ik in Wintervlinders, met liedjes en een verhaal. De eerste voorstelling die ik zelf verzon, schreef en speelde. Doodeng vond ik dat. Ik heb toch doorgezet. Wat is het ergste dat me kan overkomen, bedacht ik me. Dat mensen boe roepen, me uitlachen en weglopen. Wat is dan de realiteit? Dat ik de volgende dag mijn kinderen weer naar school breng en dan is iedereen het vergeten. Dan gaat het leven gewoon door. Dus deed ik het. Toen ik applaus kreeg en de mensen gingen staan, wilde ik meer. Dat werkt zo verslavend. Wintervlinders maakte ik met Ciel van Aalderen, met wie ik ook het Smaaktheater doe.

Het is fantastisch om de beelden in je hoofd werkelijkheid te zien worden op het podium. Toen ik het prentenboek Wintervlinders las zag ik er ook meteen een voorstelling in. Een prinses voor wie de wereld te groot is en te druk, die zich verstopt in een ivoren toren en daar gaat schrijven en schilderen. Ze beschildert honderden vlinders en gooit die naar buiten, ze dwarrelen naar beneden en belanden in de sneeuw. De mensen klappen en juichen, want ze kregen nooit eerder een geschenk van hun prinses. Een jongen belooft haar een roos voor elke vlinder en zo krijgt ze weer contact met de wereld beneden. Vanuit haar eigen kracht.

Dat is eigenlijk het thema in mijn leven. Ik vind het soms lastig om naar buiten te treden. Grote groepen vind ik imponerend. Zelfs op het schoolplein. Dan weet ik even niet wie ik ben en wil ik mezelf terugtrekken in de kunst, in zingen en schilderen.

Het Smaaktheater is in die zin doodeng voor me eigenlijk, zo druk. Dat is een grote stap voor me, maar toch ook weer niet. Ik ga de menigte in op een manier waarbij ik me veilig voel. In een rol en setting die ik zelf regisseer.

Binnen Smaaktheater probeer ik volop gebruik te maken van de diversiteit van de deelnemers. Tijdens de eerste bijeenkomst in de Grote Kerk hebben we kennis gemaakt. Ik vroeg ze toen hun naam te noemen en daar een beweging bij te maken. Dan zie je meteen met wie je te maken hebt. De een vindt het eng en houdt het klein, de ander maakt het groot.

Gebarentaal

Ik heb toen ook goed naar de stereotypen gekeken. Wat doen we met de grote meneer, de wijze vrouwen of de jonge meisjes. Sam bijvoorbeeld, hij is doof en spreekt met gebarentaal. Nina begrijpt hem en het kan zijn woorden vertalen. Dat is te mooi om niet te gebruiken. Dat zijn allemaal bouwstenen geworden voor de voorstelling.

Tijdens de eerste bijeenkomst werd ook de vraag gesteld: ‘Waarom doe je mee?’ Sommigen zeiden: ‘Het biedt een mooi tegenwicht tegen de smaakmarkt, anders dreigt het zo groot en commercieel te worden’. Die geluiden hoor je natuurlijk om je heen, hoewel iedereen het heerlijk blijft vinden om erbij te zijn. Maar welke kant moet het op? Die vraag blijft. Dat heb ik ook meegenomen in mijn verhaal.

Het is een spannend proces. Je hebt iets in je hoofd en hoe krijg je dat helder voor de mensen met wie je werkt. Ik heb nog nooit met zoveel mensen gewerkt. Je krijgt in zo’n groep ook met andere ideeën en inzichten te maken. Mensen hebben een mening en laten die ook horen. Dan ga ik erover nadenken en soms geef ik ze gelijk. De andere keer houd ik voet bij stuk, als dat nodig is om mijn boodschap in stand te houden. Gelukkig is daar dan ook begrip voor.

Er zit een vleugje Holiday in het Smaaktheater. Het is een lichte zedenpreek. Dat deed Billie ook, ze stopte haar aanklachten in een mooi jasje. Ik ben eigenlijk ook een moralist, maar wil het niet zwaar laten klinken. De kunst is daar een prachtig middel voor.

Wat er na dit project komt weet ik niet. Er zijn wel ideeën. Al lange tijd speelt het idee in mijn hoofd om een soort van Jutterspad te organiseren, maar dan met theater. Kleine voorstellingen maken met allerlei mensen en dat op diverse locaties uitvoeren. Toen Saskia van der Meij me benaderde om theater te maken tijdens de Smaakmarkt, was dat de kans om een deel van die droom te realiseren, door samen met vrijwilligers kleine scènes te maken en te spelen.

Als ik dit soort mooie projecten nog een paar keer mee zou mogen maken, is dat prachtig, maar een einddoel heb ik niet. Dat vind ik eng. Vroeger vroegen ze me vaak: ‘Wat wil je met het zingen bereiken, Sylvia?’ Dat weet ik niet. Het brengt me op een pad en dat pad laat me zien wat er gebeurt. Ik geloof stiekem wel in de engelen die me de juiste kant op sturen. Daar vertrouw ik op.”

Summer of Love: Roetz bestaat vijftien jaar!

Dit jaar bestaan we vijftien jaar. Dat vieren we met een boekje met verhalen van Peter Meester en een jubileumeditie van ons tijdschrift. Beide hebben als onderwerp Wijk aan Zee, waarmee we het dorp willen bedanken voor de inspiratie. Het NHD berichtte er al mooi over.

Het jubileum wordt gevierd met tal van activiteiten in het kader van de Summer of Love. Te beginnen op 24 juni vanaf 16 uur in Café De Zon in Wijk aan Zee. Dan presenteren we het boekje, het jubileumnummer en treden tal van lokale artiesten op. De toegang is gratis! Kom je ook?

Treed je ook toe tot de Roetz familie? Doe je mee aan al dat leuks wat we bieden. Kom naar De Zon, je mag ook een mailtje sturen naar info@roetz.nl

‘Politieke partijen zijn achterhaald’

Bert Blase, burgemeester van Heerhugowaard, schreef ‘Het verhaal van de wereld’, dat vorige maand uitkwam. In dit boek toont hij zich een vurig voorstander van de nieuwe democratie, waarin er meer gebruik gemaakt wordt van de kennis in de samenleving en burgers meer betrokken zijn bij het bestuur.

‘’Misschien moet ik het scherper zeggen: de traditionele politiek is failliet. Niet financieel, maar qua oplossend vermogen en gebrek aan innovatie. Politieke profilering, dwangmatig zoeken naar verschil, en doorgeschoten competitiedrang staan oplossingen vaker in de weg dan dat ze die dichterbij brengen. Ons politieke systeem is regelmatig een hindernis voor goede oplossingen en maar zelden de stimulator ervan. Ingrijpen – snel evolueren – is noodzakelijk om te blijven aansluiten bij de behoefte van de samenleving.’’

Blase uit zich in duidelijke taal als het gaat om zijn toekomstvisie. Toch is ‘Het verhaal van de wereld’ niet alleen een politieke analyse, maar heeft hij deze ingebed in een levendige en prachtig geschreven roman.

Dat zou sommige lezers aanvankelijk op het verkeerde been kunnen zetten. ‘Het verhaal van de wereld’ is immers een boek van een van de voormannen van Code Oranje, een groep van bestuurders, politici en onderzoekers die voor bestuurlijke vernieuwing pleit en voor verandering van de politieke democratie.

Toch heeft Blase in mijn ogen de juiste vorm gekozen. Dat hij niet een gortdroog verhaal voorschotelt van een bestuurder, maar een verhaal dat een beroep doet op de verbeeldingskracht van de lezer, versterkt de boodschap van Blase. Hij heeft niet de wijsheid in pacht, wijst niet met een belerende vinger, maar trekt je mee in zijn zoektocht. Voor mij als lezer maakt dat dit boek uitermate integer overkomt.

,,Ik heb heel bewust gekozen voor deze vorm’’, bevestigt Blase, als ik hem spreek op het gemeentehuis in Heerhugowaard. ,,Ik wil geen blauwdruk bieden van hoe het moet. Daar heb ik natuurlijk wel ideeën over, maar aan de vraag ‘hoe?’ gaat voor mij een andere vraag vooraf: ‘Waarom?’ Eerst komt het verhaal, moeten we doorvoelen wat er in deze tijd gebeurt, in deze samenleving, en waarom verandering nodig is.’’

Het boek is opgebouwd als een drieluik. Drie verhalen die uiteindelijk samenkomen in een beeldende apotheose. Blase vertelt het verhaal over zijn voorouder, de Zwitser Johannes Barrenn, die in de zestiende eeuw leeft. Een roerige periode van verandering, waarin het fundament is gelegd voor de Verlichting en onze huidige democratie. Met een ander verhaal, dat van Nathan, maakt Blase de vergelijking met deze tijd, als kantelpunt naar een nieuwe democratie. Nathan probeert zijn eigen weg te vinden en wordt meegezogen in de vrijheidsstrijd in Oekraïne.

De derde verhaallijn zijn de aantekeningen van de burgemeester zelf, aan de hand van voorvallen in zijn dagelijks leven brengt hij uiteindelijk op vernuftige wijze alle verhalen samen.

,,De gebeurtenissen die ik beschrijf zijn de bouwstenen geworden van hoe ik over openbaar bestuur ben gaan denken’’, vervolgt Blase. ,,Het verhaal van deze tijd en wat dat met mij doet, komt dieper bij je binnen en is zo veel wezenlijker dan het geven van een politieke analyse. Grote veranderingen vragen om verbeeldingskracht en we staan als samenleving nog maar aan begin van ontwikkelen van die verbeeldingskracht. We zijn nog aan het oefenen, we zijn de grenzen aan het oprekken. Dat gaat niet met een grote sprong, maar is een optelsom van miljoenen kleine bewegingen.’’

De essentie van de boodschap is dat het huidige politieke systeem is vastgeroest en niet meer aansluit op de behoeften binnen de samenleving. Politici zijn vaak vooral met zichzelf bezig. Burgers voelen zich niet betrokken. Kennis die in de samenleving zit wordt niet benut. Het openbaar bestuur zou op hoofdlijnen moeten kunnen besturen en de initiatieven vanuit de samenleving moeten faciliteren. Politici zouden hierdoor weer ruimte krijgen voor de grotere vraagstukken. Blase biedt in zijn boek een nieuw adagium:

‘’We zijn op weg naar een samenlevingsmacht. Iedereen is coarchitect. We denken in oplossingen. We geven ons leven betekenis. We delen de kelder en het terras.’’

,,Politieke partijen als intermediair zijn een achterhaald concept’’, legt Blase uit. ,,Verander mee of word marginaal. Het in stand houden van jezelf mag nooit een doel op zich zijn voor een politieke partij, maar kijk naar wat de samenleving nodig heeft.’’

,,Ik heb een fantasie dat je het gemeentehuis uiteindelijk niet meer nodig hebt’’, gaat hij verder. ,,Het kan. In Molenwaard hebben ze het stadhuis al afgeschaft. Medewerkers van de gemeente werken daar echt in en vanuit de gemeenschap. Er zit zoveel ervaring in de samenleving. Van geschoolde mensen en kennis op basis van levenservaring. Of een mengvorm. Mensen vinden het prima om zich voor de samenleving in te zetten. Geef ze de ruimte en ze pakken het op. Als je op die manier naar de samenleving durft te kijken, kun je beginnen met de zaken anders te gaan organiseren.’’

Het is niet meer de vraag of het gaat gebeuren. ,,In mijn ogen is het onontkoombaar dat de verandering gaat plaatsvinden. Dit boek draagt hopelijk bij aan bewustwording dat het al aan het gebeuren is. Ik hoop dat hierdoor iedereen zijn eigen steen gaat bijdragen. Niet iedereen hoeft meteen een dam te bouwen, verleggen van een steen kan al genoeg zijn. Het Is geen toevalligheid dat dit gaande is, dat veel mensen inmiddels zo denken. We hebben het niet over een hype. Het is niet alleen van mij of van anderen. Het is iets waar we collectief sturing aan geven. Het is beweging die gaande is en uit de samenleving zelf komt.’’

Als burgemeester van Heerhugowaard zit Blase zelf diep in het systeem. Hij maakt er deel vanuit. Het gemeentehuis van Heerhugowaard oogt niet meteen als een plek van grote veranderingen. Het is een gemeentehuis als alle anderen.

,,Mensen vragen me wel eens waarom ik niet uit het systeem stap. Mijn gevoel is dat ik juist van binnenuit de verbinding kan maken, beter kan bijdragen aan de veranderingen. Wat ik doe en schrijf, kan ik júist omdat ik burgemeester ben en veel om me heen zie gebeuren. Als ik dat niet zou zien, zou ik blind zijn.’’.

Dat betekent niet dat alles vanzelf gaat. ,,Ik word ook wel eens afgeremd. Er zijn ook weerstanden tegen de beweging die plaatsheeft. Mensen kunnen bang zijn om hun positie te verliezen, missen de verbeeldingskracht of zien het gewoon anders. Ik heb in mijn functie hoe dan ook te maken met andersdenkenden.’’

,,Ik wilde in deze gemeente graag de mensen de kans geven om tijdens verkiezingen niet alleen op een politieke partij te stemmen, maar ook op een thema. Een thema dat we ophalen uit de samenleving. Door een top drie van belangrijkste kwesties te kiezen kon je als burger de politici een richtlijn bieden, maar dat ging de gemeenteraad hier te ver. De fracties vonden dat het aan de politiek is om die prioritering aan te brengen. Dat vind ik niet erg, maar wel jammer.’’

Uiteindelijk is de bewonersagenda er wel op een andere manier gekomen. ,,Als burgemeester heb je ook veel mogelijkheden. De thema’s komen weliswaar niet naar het stemhokje, maar zijn wel op een agenda gezet die we hebben aangeboden aan de gemeenteraad. Zo worden ze wel onderdeel van de campagne en van de verkiezingen.’’

De beweging lijkt zich nog sluimerend door de samenleving te bewegen, maar is wel degelijk een belangrijk gespreksonderwerp onder bestuurders, weet Blase. ,,Er is geen gemeente die er niet mee bezig is. Ik heb workshops gegeven aan burgemeesters. Sommigen zijn heel enthousiast, anderen aarzelend. Niettemin zijn ze allemaal bezig met dit vraagstuk. Iedere gemeente krijgt ermee te maken.’’

,,Kijk goed om je heen wat er allemaal gaande is. Neem Dokkum, waar een groep mensen een demonstratie probeerde te voorkomen en een boete kreeg. De inwoners van Dokkum organiseerden een crowdfunding om de boete te betalen. Ik wil niet zeggen dat je het recht aan de kant moet zetten, maar wel je ogen open moet houden en moet zien hoe de samenleving opstaat. Als je daar niets mee doet zul je confrontaties krijgen. Burgers willen betrokken zijn bij vraagstukken en meesturen. Als je dat niet organiseert gebeurt het toch, maar dan ongeorganiseerd. Dan kun je het beter faciliteren.’’

Het is volgens Blase niet een kwestie van een route tot in detail uitstippelen, maar een leeromgeving creëren. Het lef hebben dus om te experimenteren. ,,We weten niet precies hoe het gaat, alleen waar we naartoe willen. Laten we dan gaan oefenen in die richting, ook al zal dat soms misgaan. Dan is het zaak om niet op te geven.’’

Dat doet mij denken aan een treffend voorbeeld in Beverwijk. Het Huis van de Buurt was een buurthuis in Oosterwijk, dat werd opgezet als bewonersinitiatief en werd geleid door een van de bewoners. Dat bleek geen succes. Er werd geklaagd over overlast en de gemeente deed de deur dicht. Vervolgens gebeurde er niets.

Blase kent dit voorbeeld niet, maar geeft wel goede raad: ,,Oefenen betekent dat het ook mis kan gaan. Ga er dan niet met een belerende vingerwijzing in zitten, maar probeer er achter te komen wat er misging. Leer daarvan en probeer het met die kennis nog een keer. ‘’

Wie goed om zich heen kijkt, ziet dat op veel plekken wordt geëxperimenteerd met een nieuwe vorm van democratie. Molenwaard heeft zoals gezegd geen stadhuis meer. In de gemeente Hollands Kroon werken ambtenaren vooral buiten het gemeentehuis. In de samenleving, met de samenleving. ,,Eigenlijk heel logisch. We hebben een veel dynamischere maatschappij dan vroeger, een netwerksamenleving. Ook daar zie je echter dat het niet allemaal vanzelf gaat. Ook daar moet wel eens een wethouder aftreden. Dat het schuurt mag geen probleem zijn, maar hoort erbij. Ook in Heerhugowaard zijn er mensen die vinden dat ik te snel ga en remmen me dan een beetje af. Daar moet ik tegen kunnen.’’

Gemeentebesturen moeten zichzelf dus de ruimte geven om van fouten te leren. ,,Wat je leert komt bij een ander terecht en daardoor hebben andere initiatieven er weer baat bij. Zo schuift de voorhoede op. Dat gebeurt voortdurend. In de nieuwe democratie was als kinderziekte ingevaren dat je enkele betrokken burgers meer zeggenschap geeft, waardoor er een select gezelschap ontstaat. Inmiddels zijn er daardoor methodieken ontwikkeld waardoor dit niet meer hoeft te gebeuren.’’

Het vraagt niet alleen een andere houding van de bestuurders, maar ook van de burger. Een wethouder bijvoorbeeld is niet iemand die alle problemen oplost en overal een antwoord op heeft. De samenleving heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Het bestuur faciliteert deze zelfredzaamheid en bewaakt de grote lijnen.

‘’Het is ook geen eenvoudige beweging: de macht die wordt gespreid en gedeeld. Van één idee naar variatie, van uniformiteit naar veelkleurigheid, van één waarheid naar een onnoembare veelheid van ideeën. Het vraagt de eigen waarheid te relativeren; het eigen belang naast dat van de ander te zien, in plaats van erboven. Het vraagt om loslaten, plezier zien in verandering, zelfvertrouwen en willen delen. Het uit zich in voortdurende stappen groot en klein. Het gaat om herschikking van belangen. Om ruimte te geven aan al die miljarden coarchitecten. Het is een idee dat peutert aan alle bestaande structuren.’’

,,Ik hoop dat mijn boek inspireert, want veranderen is niet makkelijk. De overeenkomsten tussen onze tijd en de roerige zestiende eeuw ben ik gaandeweg gaan begrijpen. Wat voor ons nu zo vanzelfsprekend is, werd toen stap voor stap ontdekt en uitgeprobeerd. Dat ging met vallen en opstaan. Dat ging gepaard met pijn. Ook in deze tijd moeten we met de veranderingen leren omgaan, nu we bezig zijn om de volgende fase van onze democratie uit te vinden.’’

De samenleving is een zwerm die je niet moet willen temmen, maar wel richting nodig heeft. Ruimte bieden en vertrouwen geven zijn mijn uitgangspunten. Dat is geen kwestie van naïviteit. Ik heb geen droombeeld van de maatschappij. De bevoegdheden die ik heb als burgemeester, zoals het inzetten van de ME of het uit huis plaatsen van mensen, gebruik ik ook als dat nodig is. Wat ik wel zie dat we samen alles beter kunnen maken. In een wereld waarin mensen meer betrokken worden en meer ruimte krijgen om mooie en dedingen te doen.’’

Jacky de Vries